Coderen in kwalitatief onderzoek: open, axiaal en selectief coderen met een codeboom
Bijgewerkt op 12 oktober 2026 · 8 min. lezen · Door Spire Light
Coderen is het toekennen van korte labels (codes) aan fragmenten uit je interviews of andere kwalitatieve gegevens. Een code vat samen waar een fragment over gaat of wat het betekent. Door je codes te vergelijken, samen te voegen en te ordenen in een codeboom maak je van honderden pagina’s transcript een analyse die je onderzoeksvraag beantwoordt.
Wat is een code?
Een code is een woord of korte zin die je aan een tekstfragment koppelt. Het fragment kan een zin zijn, een paar regels of een heel antwoord. Geeft een student de uitspraak ‘ik durf mijn docent niet te mailen’ de code ‘drempel om hulp te vragen’, dan legt ze vast wat het fragment voor haar vraag betekent. Hetzelfde fragment kan meer dan één code krijgen.
Codes hebben twee functies. Ze maken je materiaal doorzoekbaar, omdat je alle fragmenten met dezelfde code naast elkaar kunt leggen. En ze zijn de eerste stap van je interpretatie: door te benoemen wat je ziet, ga je al analyseren. Coderen is dus geen administratie die aan de analyse voorafgaat, maar een deel van de analyse zelf.
Inductief en deductief coderen
Voordat je begint, kies je hoe je codes ontstaan. Bij inductief coderen vertrek je vanuit je data. Je leest het transcript zonder vaste lijst en bedenkt codes bij wat je tegenkomt. Dat past bij een verkennende vraag of een onderwerp waarover weinig bekend is.
Bij deductief coderen begin je met begrippen uit de theorie. Je operationaliseert ze vooraf tot codes en zoekt in je transcripten naar fragmenten die erbij horen. Dat past als je een bestaand model wilt toepassen of toetsen. Boeije en Bleijenbergh beschrijven in Analyseren in kwalitatief onderzoek (2023) beide routes. De inductieve route heet bij hen de onderzoeksslang en werkt van beneden naar boven, vanuit de gegevens. De deductieve route heet de onderzoeksliaan en loopt van boven naar beneden, vanuit begrippen die je vooraf operationaliseert.
Veel scripties combineren beide: je start met een paar codes uit je theoretisch kader en voegt nieuwe codes toe voor wat je niet had verwacht. Beschrijf die keuze in je methodesectie.
Open, axiaal en selectief coderen
De indeling in drie fasen komt uit de grounded theory. Anselm Strauss en Juliet Corbin beschreven open, axiaal en selectief coderen in Basics of Qualitative Research (1990); de meest recente, vierde druk verscheen als Corbin en Strauss (2015). Het Nederlandse handboek van Boeije en Bleijenbergh (2023) behandelt dezelfde drie fasen, uitgelegd voor studenten. Je kunt de fasen ook gebruiken als je geen grounded theory doet.
- 1
Open coderen: labelen wat je ziet
Je leest je transcripten regel voor regel en geeft elk relevant fragment een code. Je blijft dicht bij de tekst en legt nog geen structuur aan. Aan het eind van deze fase heb je vaak een lange lijst codes, met overlap en dubbelingen. - 2
Axiaal coderen: ordenen en verbinden
Je vergelijkt je codes, voegt dubbele codes samen en brengt hoofdcodes met subcodes aan. Bij Strauss en Corbin gaat deze fase vooral over verbanden: onder welke omstandigheden een verschijnsel optreedt, wat mensen doen en wat daarvan de gevolgen zijn. Het resultaat is een geordende codeboom. - 3
Selectief coderen: de kern vinden
Je zoekt de samenhang tussen je hoofdcodes en bepaalt welke kernbegrippen je onderzoeksvraag beantwoorden. Soms is dat één centrale categorie waar de rest omheen ligt. Je leest je data opnieuw met die kern in gedachten en codeert gericht bij.
De fasen lopen in de praktijk door elkaar. Je codeert het vijfde interview open terwijl je de eerste vier al axiaal ordent, en in de selectieve fase kan een nieuw interview je codeboom nog veranderen.
Codeboom en codeerschema: het verschil
Twee woorden die in scripties vaak door elkaar lopen, zijn de codeboom en het codeerschema. Ze vullen elkaar aan: de codeboom laat de structuur van je analyse zien, het codeerschema legt vast wat elke code betekent.
| Codeboom | Codeerschema | |
|---|---|---|
| Wat het is | Overzicht van je codes in een boomstructuur: hoofdcodes met subcodes eronder | Tabel met per code de naam, een definitie, wanneer je de code gebruikt en een voorbeeldfragment |
| Wanneer je het maakt | Groeit tijdens het axiaal coderen | Vooraf bij deductief coderen, anders gaandeweg |
| Waarvoor je het gebruikt | Structuur zien, verbanden leggen, je resultatenhoofdstuk indelen | Consequent coderen, ook als een tweede codeur meekijkt |
| Andere namen | Boomstructuur, codestructuur | Codeboek, codeerinstructie |
| In je scriptie | In de bijlage of als figuur bij je resultaten | In de bijlage |
Hoeveel codes genoeg is, ligt niet vast. Na het open coderen heb je er vaak veel, en dat hoort zo. Na het axiaal coderen moet je codeboom overzichtelijk zijn: elke hoofdcode heeft een duidelijke betekenis en hangt samen met je onderzoeksvraag. Codes die maar één keer voorkomen en niets toevoegen, voeg je samen of schrap je. Een codeboom die je zelf niet meer kunt overzien, helpt je niet bij het schrijven.
Labelen: zo kies je goede codes
De kwaliteit van je analyse begint bij je labels. Deze vuistregels helpen:
- Kort en specifiek. ‘Twijfel over studiekeuze’ zegt meer dan ‘studie’. Een code van één woord is meestal een onderwerp, geen betekenis.
- In vivo waar het kan. Een treffende uitspraak van een respondent, zoals ‘overleven tot de vakantie’, kan zelf een code zijn. Markeer zo’n in-vivocode, bijvoorbeeld met ‘(in vivo)’ achter de naam, zodat je weet dat de woorden van de respondent zijn.
- Beschrijvend én interpreterend. In de open fase beschrijf je wat er staat. Later voeg je codes toe die zeggen wat het betekent, zoals ‘jezelf verkopen’.
- Schrijf een definitie zodra een code vaker voorkomt. Dan weet je over drie weken nog wat je met ‘regelzucht’ bedoelde.
Houd naast je codes memo’s bij: korte notities over wat je opvalt, welke codes op elkaar lijken en welke vragen een fragment oproept. Boeije en Bleijenbergh (2023) noemen memo’s het ‘scharnier tussen denken en doen’. In je memo’s ontstaan vaak de verbanden die je in de axiale en selectieve fase uitwerkt.
Coderen gaat sneller als je in het transcript zelf werkt en alle fragmenten per code kunt terugzien. Check eerst de regels van je onderwijsinstelling: een stem maakt deelnemers herkenbaar, en Spirelight biedt geen verwerkersovereenkomst aan. Mag het van je instelling, dan kun je je interviews uitwerken en codes direct in je transcript zetten. Je maakt een lijst met codes, elk met een naam en een kleur, selecteert een fragment en kent een code toe met een sneltoets. Het codeoverzicht zet alle gecodeerde fragmenten in één tabel, die je kunt filteren en als CSV exporteren. Hoofd- en subcodes, definities en voorbeelden houd je in een apart document bij; Spirelight codeert niets automatisch en berekent geen overeenstemming tussen codeurs. De editor is voorlopig in het Engels.
Consequent coderen, alleen of met z’n tweeën
Omdat coderen interpreteren is, vragen beoordelaars vaak of een ander tot dezelfde codes zou komen. Codeer je met een codeerschema, dan kun je dat toetsen met een tweede codeur, bijvoorbeeld een medestudent, in overleg met je begeleider. Zo pak je dat aan:
- Geef de tweede codeur je codeerschema en een deel van je gepseudonimiseerde transcripten, bijvoorbeeld twee interviews. Check vooraf of je informatiebrief toestaat dat iemand anders ze inziet.
- Codeer allebei onafhankelijk, zonder elkaars codes te zien.
- Vergelijk per fragment en bespreek elke afwijking. Vaak blijkt een definitie te vaag of overlappen twee codes.
- Scherp je codeerschema aan en codeer de rest consequent met de nieuwe versie.
De overeenstemming kun je ook berekenen, als percentage of met Cohens kappa. Welke waarde voldoende is, verschilt per handboek en per opleiding; vraag je begeleider wat hij of zij verwacht. Codeer je alleen, codeer dan na een paar weken een interview opnieuw en vergelijk dat met je eerste versie.
Niet elke methode vraagt om zo’n toets. In de reflexieve thematische analyse van Braun en Clarke geldt coderen als interpretatie zonder één goede uitkomst. Daar bespreek je je codes met je begeleider om je analyse te verdiepen, niet om overeenstemming te meten.
Coderen verantwoorden in je methodesectie
Een beoordelaar kan je analyse alleen volgen als je laat zien hoe je hebt gecodeerd. Beschrijf in je methodesectie in een paar alinea’s:
- of je inductief, deductief of op beide manieren codeerde, en waarom dat bij je onderzoeksvraag past;
- welke fasen je doorliep en hoe vaak je je codes hebt herzien;
- hoe je consequent codeerde: met een codeerschema, een tweede codeur of een gesprek met je begeleider;
- welke software je gebruikte, of dat je met de hand codeerde.
Zet je codeboom en codeerschema in de bijlage en verwijs ernaar. Bespreek in je resultaten niet elke code, maar orden je tekst langs je hoofdcodes of kernbegrippen. Citaten laten zien waar een code vandaan komt; je eigen tekst legt uit wat het betekent.
Verzonnen voorbeeld: van fragment tot codeboom
Het fragment en de codes hieronder zijn verzonnen. Ze komen uit een scriptie met de vraag: Hoe ervaren eerstejaarsstudenten het zoeken naar een studentenkamer? De student codeert inductief.
Fragment (R4, 00:12:40): ‘Ik ben naar heel wat hospiteeravonden geweest. Je zit daar met twintig anderen en moet in vijf minuten leuk zijn. Op een gegeven moment ging ik maar grappig doen, want dat werkte bij anderen ook. En als je weer niet gekozen wordt, denk je: ligt het aan mij?’
Open codes: ‘vaak hospiteren’, ‘concurrentie met andere studenten’, ‘moet in vijf minuten leuk zijn’ (in vivo), ‘een rol spelen’, ‘afwijzing persoonlijk opvatten’.
Codeboom na het axiaal coderen (met codes uit alle interviews):
- Een kamer veroveren
- vaak hospiteren
- concurrentie met andere studenten
- tijdelijk wonen bij ouders
- Jezelf presenteren
- moet in vijf minuten leuk zijn (in vivo)
- een rol spelen
- Afgewezen worden
- afwijzing persoonlijk opvatten
- twijfel aan jezelf
Codeerschema, één regel: ‘een rol spelen’ gebruik je als de respondent zegt dat hij of zij zich anders voordoet dan gewoonlijk om gekozen te worden. Niet gebruiken voor gewone voorbereiding, zoals nette kleren aantrekken.
Selectief coderen: de hoofdcodes hangen samen rond één kern, ‘jezelf moeten verkopen’. De jacht op een kamer dwingt studenten zich zo leuk mogelijk te presenteren, en daardoor voelt elke afwijzing als een oordeel over wie ze zijn.
De open codes blijven dicht bij het fragment, de codeboom brengt orde aan en de kern zegt wat het geheel betekent. Zet in je scriptie bij elk citaat het interview en de tijdcode, zodat een lezer het fragment kan terugvinden.
Veelgestelde vragen
- Wat is open coderen?
- Open coderen is de eerste fase van coderen. Je leest je transcripten regel voor regel en geeft elk relevant fragment een kort label dat vangt waar het over gaat of wat het betekent. Je blijft dicht bij de tekst en legt nog geen structuur aan, dus aan het eind heb je vaak een lange lijst codes met overlap.
- Wat is een codeboom?
- Een codeboom is een overzicht van je codes in een boomstructuur: hoofdcodes met subcodes eronder. Hij groeit tijdens het axiaal coderen en laat de structuur van je analyse zien. Een codeerschema legt daarnaast per code vast wat die betekent en wanneer je hem gebruikt. Beide horen in de bijlage van je scriptie.
- Wat is het verschil tussen axiaal en selectief coderen?
- Bij axiaal coderen orden je je open codes: je voegt dubbele codes samen, brengt hoofd- en subcodes aan en zoekt verbanden. Het resultaat is een codeboom. Bij selectief coderen zoek je de samenhang tussen de hoofdcodes en bepaal je welke kernbegrippen je onderzoeksvraag beantwoorden, soms één centrale categorie waar de rest omheen ligt.
- Hoeveel codes is genoeg?
- Dat ligt niet vast. Na het open coderen heb je vaak veel codes, en dat hoort zo. Na het axiaal coderen moet je codeboom overzichtelijk zijn: elke hoofdcode heeft een duidelijke betekenis en hangt samen met je onderzoeksvraag. Codes die maar één keer voorkomen en niets toevoegen, voeg je samen of schrap je.
Lees ook
Thematische analyse: zo analyseer je interviews in zes stappen
De zes stappen van Braun en Clarke, het verschil tussen een code en een thema, en hoe je met de hand of in ATLAS.ti en NVivo thema’s ontwikkelt voor je scriptie.
Kwalitatief onderzoek: wat het is, methoden en een voorbeeld voor je scriptie
Wat kwalitatief onderzoek is, hoe het verschilt van kwantitatief onderzoek, welke methoden je kunt kiezen en hoe je een kwalitatief onderzoek voor je scriptie opzet.
Validiteit en betrouwbaarheid: uitleg, soorten en voorbeelden voor je scriptie
Wat validiteit en betrouwbaarheid betekenen, welke soorten er zijn en hoe je de kwaliteit van een kwalitatief onderzoek verantwoordt in je methodesectie.